Cultuurcentrum Brugge

Peter Verhelst 
auteur

LIFE ON MARS


“Schrijven is mijn meest natuurlijke bezigheid”


Mijn grote droom was Jan Van Eyck worden, maar dat is grandioos mislukt. Op mijn vijftiende ontdekte ik in het handboek van Nederlands een gedicht van Hadewijch. Ik was totaal ondersteboven. Diezelfde avond ben ik thuis beginnen schrijven en ik ben er nooit meer mee opgehouden.

Een goeie tekst is een tekst die je blik verruimt, verbreedt. Net zoals Van Eyck dat in zijn tijd deed. Hij was zo verdomd goed met olieverf, dat niemand het hem nog kon nadoen. Het gevoel vertalen, dat is wat ik doe. Het gaat niet altijd vlot, maar het is wel mijn meest natuurlijke bezigheid.

Het is niet toevallig dat bijna al mijn vrienden kunstenaars zijn. Kijken naar kunstenaars helpt mij bij het schrijven. In onze cultuur is de kern van literatuur meestal een verhaal, maar dat verhaal interesseert mij eigenlijk niet. De manier waarop dingen groeien, in mekaar worden gezet, de manier waarop iemand kijkt: dat wil ik op papier krijgen.


Brugge


Er zijn twee dingen die me hier ongelooflijk blij maken: de taal en de dubbelzinnigheid. Enerzijds is het fijn om West-Vlaams en Brugs te kunnen praten hier. Ik woon ook in een mooi stuk stad, kan met de ramen open schrijven en dat is heerlijk. Ik vind het tof dat ik geregeld dag kan zeggen aan Van Eyck en Michelangelo. We hebben veel, maar er verdwijnt ook veel. En er is geen wanorde. Precies alsof mensen er bang van zijn. Maar ondanks alles blijf ik Brugge wel een mooie en veilige stad vinden. Ik ben ook een ongelooflijke fan van de Republiek. Er wordt daar een inspirerend weefsel gecreëerd en in stand gehouden.

Gevoel vertalen is mijn meest natuurlijke bezigheid 

 

Mijn grote droom was Jan Van Eyck worden, maar dat is grandioos mislukt. Ik was het onnozele ventje dat opstellen van twintig bladzijden afleverde op school. Het echte schrijven begon op mijn twaalfde: toen schreef ik een roman. Maar die bleek na vier bladzijden klaar en toen heb ik toch weer even gewacht. Op mijn vijftiende ontdekte ik in het handboek van Nederlands een gedicht van Hadewijch. Ik was totaal ondersteboven. Diezelfde avond ben ik thuis beginnen schrijven en ik ben er nooit meer mee opgehouden. 

 

Hadewijch is niet bepaald de meest toegankelijke literatuur. 

Er bestaan uiteraard eenvoudigere teksten. Maar Hadewijch ademt danig veel passie, die vrouw is gewoon niet te houden. Ze schrijft eindeloze minnebrieven aan God. Dat goddelijke interesseerde me destijds niet, de passie wel, omdat die teksten bijna letterlijk ontbranden. Ik was daar zo door gepakt dat ik systematisch papier ter hand nam en schreef, schreef, schreef. Het is nooit gestopt. Dat is zo’n beetje typisch voor iemand die niet wordt wat hij wil worden. Ik kon Van Eyck niet zijn, maar ik ontdekte wel dat ik hetzelfde kon bereiken met woorden. Daarom heb ik taal en woorden gekozen. 

 

Streef jij perfectie na in je werk? Weg van de middelmatigheid? 

Daar ben ik vanaf. Vroeger wou ik alles perfect neergepend krijgen, maar ik heb dat losgelaten. 

 

Wat is voor jou een goeie tekst? Een goed gedicht? 

Je zou kunnen zeggen: wat goed gemaakt is, want ook schrijven is een ambacht. Een goeie tekst is een tekst die je blik verruimt, verbreedt. Net zoals Van Eyck dat in zijn tijd deed. Hij was zo verdomd goed met olieverf, dat niemand het hem nog kon nadoen. Eigenlijk was het een smeerlap! Ook Francis Bacon heeft mijn blik op schilderkunst verruimd. Als middelbare scholier ontdekte ik op een dag een schilderij van hem in het Zilverpand. Het hing uit in een interieurwinkel. Ik ging binnen en vroeg naar de naam van de artiest. Vanaf dat moment heb ik de esthetiek en de kracht van Bacons werk bestudeerd in tal van naslagwerken. Als literatuur hetzelfde effect heeft als die kunst, noem ik het goeie literatuur. 

 

Moet een tekst iets wakker maken in mensen? 

In zekere zin wel, al hoeft het niet te shockeren. Ik hou ervan om bewust te leven. Daarom is Maud Bekaert zo’n fantastische partner. Door haar werk als letterbeeldhouwster blijf ik kijken, dingen opnieuw doen, details veranderen, tot ik bij de essentie kom van wat ik wil bereiken. Als schrijver is mijn voornaamste bezigheid dus kijken en dat kan op duizend manieren. Toen ik destijds in Nazareth woonde, kwam ik toevallig eens terecht bij een deurenmaker. Die man deed zijn job met danig veel plezier en vakkennis. Door zijn werk en uitleg wist ik perfect hoe een deur gemaakt werd. Dat ‘weten’ is de basis voor mijn schrijven. En zo schrijf je dingen die mensen leren om anders te kijken naar de dingen. 

 

Vind je schrijven lastig? Of komt het vanzelf? 

Het gevoel vertalen, is wat ik doe. Dat gaat niet altijd vlot, maar het is wel mijn meest natuurlijke bezigheid. Gesteld dat ik alleen zou leven, dan zou ik waarschijnlijk 18 uren van de 24 per dag aan het schrijven zijn. Dat is dus niet lastig. 

 

Het eerste deel van je oeuvre, tot aan de jaren ’90, bestond louter uit poëzie. De romans kwamen pas later. Is er voor dat genre meer maturiteit nodig? 

Ik beschouwde poëzie aanvankelijk als de meest ultieme vorm van schrijven. Op een dag zat ik bij mijn Amsterdamse uitgever en die vroeg waarmee ik bezig was. Een roman, zei ik. Dat was niet waar, maar hij was meteen verkocht en toen moest ik er dus wel aan beginnen. Het heeft een hele tijd geduurd voor ik doorhad dat een roman meer is dan louter een verhaal. Het is een geheel. 

 

Verduidelijk? 

Een roman kan allerhande literaire vormen in zich dragen. Er kan poëzie in zitten, een stuk verhaal, een essay, fictie en non-fictie. Ik worstel eigenlijk nog altijd met de vorm op zich. Ik schrijf niet traditioneel. Maar werken aan dat geheel, boeit me wel. 

 

Net zoals Maud, je vrouw, het vaak over kruisbestuiving heeft in haar werk. Dingen en disciplines combineren. Hoe belangrijk is dat voor jou? 

Dingen samenbrengen, is alles. Het is niet toevallig dat bijna al mijn vrienden kunstenaars zijn. Precies daarom denk ik dat ik afwijkende dingen schrijf. Er wordt soms gezegd dat mijn literatuur moeilijk is, maar eigenlijk schrijf ik zoals een schilder werkt. Kijken naar kunstenaars helpt mij daarbij. In onze cultuur is de kern van literatuur meestal een verhaal, maar dat verhaal interesseert mij eigenlijk niet. De manier waarop dingen groeien, in mekaar worden gezet, de manier waarop iemand kijkt: dat wil ik vooral op papier krijgen. En daarom noemen ze mijn werk dus afwijkend. 

 

In 2002 realiseerde je in Brugge ‘Het Sprookjesbordeel’. Dat was een bijzonder tactiele vorm van literatuur, waarin mensen één op één een verhaal te horen kregen. 

Ik werkte in die periode voor het Toneelhuis aan ‘AARS!’ met Luk Perceval. Dat was een waanzinnig donker stuk, over het einde van de wereld. De voorstelling duurde twee uur: sommige kijkers waren compleet overdonderd of zichzelf niet meer. Ik had op datzelfde moment ‘Tongkat’ geschreven en stelde Luk voor om ermee aan de slag te gaan. We wilden individuele teksten voorlezen in een soort bordeel. Luk verklaarde me gek maar we deden het en het effect was immens overweldigend. Er waren zelfs mensen die huilend buiten kwamen, of tegen de deur liepen van ontreddering. Dat hebben we doorgetrokken voor Brugge 2002, met een resem bekende acteurs. Werken met theater én kunst én muziek was voor hen een bijzonder verrijkend proces. 

 

Jouw dichtbundel ZON – het recentere werk – heeft een sterk maatschappijkritische boodschap. Vind je het nodig dat literatuur die kritiek verwoordt? 

Nu wel. Het zijn degoutante tijden, in heel wat opzichten. Er zijn mensen die er alles aan doen om dingen niet te laten lukken. Er zijn zwakkere mensen die het verwijt krijgen dat ze door hun zwakte, ons verzwakken. Alle basisbeginselen van zorg en solidariteit lijken van de kaart geveegd. Het recht is aan de sterken, zo lijkt het en dat maakt me kwaad. Dat heb ik in ZON vertaald. Dat je op die manier kritiek kunt uiten met literatuur, vind ik goed. Je geeft een stem aan zij die geen stem hebben. Je biedt weerwerk waar er geen weerwerk geboden wordt. Dat mag wat mij betreft met de scherpst mogelijke woorden gebeuren. Er zijn miljoenen boeken die het niet doen, maar het moet kunnen.

 

Na de dood van je moeder verscheen ‘Voor het vergeten’. Daarin verwerkte je talloze kunstwerken. Was het een eindpunt van een rouwproces? 

Naar mijn gevoel eindigt een rouwproces nooit helemaal. Ik heb geen therapeutisch boek geschreven over haar dood maar ben voor die roman gedurende anderhalf jaar, elke dag bezig geweest met haar dood. Dat maakt je niet vrolijk. Het voordeel is dat ik er voor mezelf in geslaagd ben om te beschrijven wat verdriet is en wat dat met mijn vader deed. Vergelijk het met een zwangere vrouw: die stelt plots vast dat er overal zwangere vrouwen rondlopen. Wanneer je verdriet hebt, is dat net hetzelfde. Je ziet overal verdriet en dat heeft een immense kracht: het leeuwendeel van de kunst is eruit gegroeid. 

 

Je bent Bruggeling van geboorte, keerde naar de stad terug in 2011. Was dat een belangrijke stap voor jou? 

In eerste instantie niet. Als Maud nu in Gent of Zevecote had gewoond, was ik gewoon daar geland. Maar ze had hier haar winkel, dus ik ben teruggekomen. 

 

Hecht je aan de stad? 

Absoluut. Er zijn twee dingen die me hier ongelooflijk blij maken. Ten eerste is er de taal: godverdomme, wat is het fijn om West-Vlaams en Brugs te praten! Ten tweede vind ik Brugge een heel dubbelzinnige stad. Ik woon in een mooi stuk, waar er tuinen zijn, waar er rust heerst. Ik kan met de ramen open schrijven en dat is heerlijk. Ik vind het tof dat ik geregeld dag kan zeggen aan Van Eyck en Michelangelo. We hebben veel, maar er verdwijnt ook veel. 

 

Zoals? 

Er komen veel plat commerciële winkels bij. Dat doet al eens afbreuk aan de stad. Als Maud en ik in een andere grootstad rondlopen en daar dynamiek ontdekken, beseffen we dat we die niet hebben in Brugge. Er is hier geen wanorde. Ze wordt niet toegelaten, alsof mensen er bang van zijn. Als we in Kaapstad zijn, zien we voortdurend nieuwe dingen gebeuren. Maar dat kan alleen als je wanorde durft toelaten. Hier riskeer je meteen een boete als je dat doet en da’s zonde. Ondanks alles blijf ik Brugge een mooie en veilige stad vinden. Het voordeel is dat de veiligheidsproblemen beperkt zijn en dat er stilaan een instroom van andere culturen komt. Ik hoop dat het beleid erin slaagt om die mensen zo naadloos mogelijk te laten opgaan in het leven van elke dag, zodat er een laboratorium met nieuwe mogelijkheden en ideeën groeit. Dan worden we echt een voorbeeldstad. 

 

Wat is jouw hotspot in Brugge? 

Ik ben een ongelooflijke fan van de Republiek. Daar beweegt wat. De locatie, het idee, wat Bart Geirnaert doet met zijn ploeg: het is het belangrijkste wat Brugge kan overkomen. Het gaat niet louter over cultuur, maar over de hele maatschappij. Er wordt een inspirerend weefsel gecreëerd en in stand gehouden en dat is prachtig.

 

Inspireert Brugge je nog in je dagelijkse schrijven? 

Och, ik zou mijn stiel net zo goed in Zimbabwe kunnen beoefenen. Maar de stad heeft me wel gevormd tot wie ik ben en ze bepaalt hoe ik denk. De hang naar esthetiek is gegroeid in mijn jeugd en dat blijft een leven lang bij.